Zondag 22 april 2018: Vierde Zondag van Pasen

Introitus: Misericordia Domini

Alleluia:Redemptionem misit

Alleluia: Ego sum pastor bonus

Offertorium: Deus, * Deus meus

Communio: Ego sum * pastor bonus

De bijbellezingen van vandaag volgen hierna:

1e Lezing:   Handelingen 4,8-12                         Buiten Hem is er geen heil

4 1 Terwijl ze nog tot het volk spraken, kwamen de priesters, de tempelcommandant en de sadduceeën op hen af, 2 geërgerd omdat zij het volk onderricht gaven en met een beroep op Jezus de opstanding uit de doden verkondigden. 3 Ze arresteerden hen en zetten hen gevangen tot de volgende ochtend - het was immers al avond. 4 Maar velen van hen die de toespraak hadden gehoord, kwamen tot geloof, en hun aantal steeg tot ongeveer vijfduizend man. 5 De volgende dag kwamen hun leiders, oudsten en schriftgeleerden in Jeruzalem bijeen, 6 evenals Annas, de hogepriester, en Kajafas, Johannes, Alexander en alle anderen die tot de hogepriesterlijke familie behoorden. 7 Ze lieten hen voorkomen en vroegen: ‘Door wat voor kracht of naam hebt u dit gedaan?’ 8 Daarop werd Petrus vervuld van de heilige Geest en zei tegen hen: ‘Leiders van het volk en oudsten! 9 Als wij vandaag naar aanleiding van een weldaad aan een zieke ondervraagd worden over de oorzaak van zijn redding, 10 dan moet u allen en heel het volk Israël goed weten: door de naam van Jezus Christus de Nazoreeër, die u hebt gekruisigd, maar die God heeft opgewekt uit de doden, staat hij hier gezond voor u. 11 Hij is de steen die door u, de bouwlieden, werd verworpen, maar de hoeksteen is geworden. 12 Door niemand anders komt de redding, want er is onder de hemel geen andere naam aan mensen gegeven waardoor wij ons kunnen laten redden.’

2e Lezing:   1 Johannes 3,1-2                           Wij zullen Hem zien zoals Hij is

3 1 Hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft! Wij worden kinderen van God genoemd, en we zijn het ook. De wereld kent ons niet, omdat zij Hem niet heeft erkend. 2 Geliefden, nu al zijn wij kinderen van God, en wat wij zullen zijn is nog niet verschenen; maar wij weten dat, wanneer Hij zal verschijnen, wij aan Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is. 3 Wie dit van Hem verwacht, maakt zich rein, zoals Jezus rein is. 4 Wie zonde doet, overtreedt Gods wet, want de zonde ís Gods wet overtreden. 5 En u weet dat Jezus verschenen is om de zonden weg te nemen, en er is in Hem geen zonde. 6 Wie in Hem blijft, zondigt niet; de zondaar heeft Hem niet gezien en kent Hem niet. 7 Kinderen, laat niemand u op een dwaalspoor brengen; wie de gerechtigheid doet, is een rechtvaardige zoals Hij rechtvaardig is; 8 wie de zonde doet, is een kind van de duivel, want de duivel zondigt vanaf het begin, en de Zoon van God is juist verschenen om het werk van de duivel ongedaan te maken. 9 Wie uit God geboren is, zondigt niet, want de goddelijke levenskiem blijft werkzaam in hem; hij kan zelfs niet zondigen, want hij is uit God geboren. 10 Hieraan kan men de kinderen van God en de kinderen van de duivel onderscheiden: wie de gerechtigheid niet doet, is niet uit God, evenmin als hij die zijn broeder niet liefheeft.

Evangelie: Johannes 10, 11-18                          Ik ben de goede Herder

11 Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. 12 Maar een huurling, geen echte herder dus, als die een wolf ziet komen, laat hij de schapen in de steek en gaat ervandoor - het zijn zijn eigen schapen niet! - en de wolf overvalt ze en drijft ze uiteen. 13 Hij is immers een huurling en bekommert zich niet om de schapen. 14 Ik ben de goede herder: Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen Mij, 15 zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; Ik geef dan ook mijn leven voor mijn schapen. 16 Ik heb nog andere schapen dan die uit deze hof. Ook voor hen moet Ik een herder zijn: ze zullen luisteren naar mijn stem. Zo wordt het: één kudde met één herder. 17 Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef, om het daarna weer terug te nemen. 18 Niemand neemt het Mij af, Ik geef het uit eigen vrije wil. Daartoe immers heb Ik de macht, zowel om het te geven als om het terug te nemen. Dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen.’ 19 Door deze woorden ontstond er weer verdeeldheid onder de Joden. 20 ‘Hij is bezeten, Hij raaskalt,’ zeiden velen. ‘Waarom luisteren jullie nog naar Hem?’ 21 Maar anderen zeiden: ‘Dit is geen taal van een bezetene. Een bezetene kan toch de ogen van blinden niet openen?’

TERUG