Zondag 14 januari 2018: Tweede Zondag door het B-Jaar

Introitus: Omnis terra

Graduale: Misit Dominus

Alleluia: Laudate Deum

Offertorium: Iubilate * Deo

Communio: Dicit Andreas

De bijbellezingen van vandaag volgen hierna:

1e Lezing: 1 Samuel 3,3b-10.19                             Spreek Heer, uw dienaar luistert 

2 Op een dag lag Eli te slapen op zijn gewone plaats; zijn ogen begonnen zwak te worden en hij kon niet meer zien. 3 De lamp van God was nog niet gedoofd, en Samuël lag te slapen in het heiligdom van de HEER, waar de ark van God stond. 4 Toen riep de HEER: ‘Samuël!’ Samuël antwoordde: ‘Hier ben ik.’ 5 Hij liep haastig naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?’ Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb niet geroepen; ga maar weer slapen.’ En hij ging en legde zich te slapen. 6 Toen riep de HEER opnieuw: ‘Samuël!’ Samuël stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?’ Eli antwoordde: ‘Ik heb niet geroepen, mijn jongen; ga maar weer slapen.’ 7 Samuël kende de HEER nog niet: een woord van de HEER was hem nog nooit geopenbaard. 8 En weer riep de HEER Samuël; nu voor de derde keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?’ Toen begreep Eli dat het de HEER was die de jongen riep. 9 En hij zei tegen Samuël: ‘Ga slapen, en mocht Hij je roepen, dan moet je zeggen: ‘ ‘Spreek, HEER, uw dienaar luistert.” ‘ Samuël ging dus weer op zijn gewone plaats slapen. 10 Toen kwam de HEER bij hem staan en riep, evenals de vorige keren: ‘Samuël, Samuël!’ En Samuël antwoordde: ‘Spreek, uw dienaar luistert.’ 11 Toen zei de HEER tegen Samuël: ‘Let op! Wat Ik in Israël ga doen, zal beide oren laten tuiten van iedereen die het hoort. 12 Die dag zal Ik over het huis van Eli alles voltrekken wat Ik over dat huis gezegd heb, vanaf het begin tot aan het einde. 13 Ik heb hem al gezegd dat Ik een onherroepelijk vonnis ga voltrekken over zijn huis vanwege de wandaden die hem bekend waren: zijn zonen hebben God geminacht en hij is niet tegen hen opgetreden. 14 Daarom heb Ik het huis van Eli gezworen dat de schuld van het huis van Eli nooit meer door slacht- of meeloffers verzoend zal worden.’          15 Samuël sliep nu door tot de ochtend en deed toen de deuren van het huis van de HEER open. Hij zag er tegenop om het visioen aan Eli mee te delen. 16 Maar Eli riep hem en zei: ‘Samuël, mijn zoon!’ Hij antwoordde: ‘Hier ben ik.’ 17 En Eli vroeg: ‘Wat is het voor een woord dat Hij tot jou heeft gesproken? Verberg het niet voor mij. God mag je dit aandoen en nog erger, als je iets verzwijgt van alles wat Hij je gezegd heeft.’ 18 Toen vertelde Samuël hem alles, zonder hem iets te verzwijgen. En Eli antwoordde: ‘Hij is de HEER. Laat Hij doen wat Hem goeddunkt.’ 19 Samuël groeide op; de HEER was met hem en liet niet één van zijn woorden onvervuld. 20 En heel Israël, van Dan tot Berseba, erkende dat Samuël inderdaad als profeet van de HEER was aangesteld. 21 Ook daarna bleef de HEER in Silo verschijnen, want daar openbaarde Hij zich aan Samuël door tot hem te spreken.

2e Lezing:   1e Brief a.d. Christenen van Korinte  6,13c-15a.17-20                                                                                                                            Onze lichamen zijn ledematen van Christus 

12 ‘Alles is mij geoorloofd.’ Ja, maar niet alles is goed voor mij. ‘Alles mág ik.’ Ja, maar ik moet mij door niets laten knechten. 13 ‘Het voedsel is er voor de buik en de buik voor het voedsel, en God zal aan allebei een eind maken.’ Het lichaam is er echter niet voor de ontucht, maar voor de Heer, en de Heer voor het lichaam. 14 God heeft niet alleen de Heer opgewekt, Hij zal ook ons laten opstaan door zijn kracht. 15 U weet toch dat uw lichamen lichaamsdelen zijn van Christus? Zou ik dan van die lichaamsdelen van Christus lichaamsdelen van een hoer maken? Dat nooit! 16 Of weet u niet dat hij die met een hoer omgang heeft, één met haar wordt? De Schrift zegt immers: Die twee zullen één zijn. 17 Maar wie zich met de Heer verenigt, is met Hem één geest. 18 Vlucht weg van ontucht. Elke andere zonde die een mens bedrijft, gaat buiten het lichaam om; maar de ontuchtige zondigt tegen zijn eigen lichaam. 19 U weet het: uw lichaam is een tempel van de heilige Geest die in u woont, die u van God hebt ontvangen. U bent niet van uzelf. 20 U bent gekocht en de prijs is betaald. Eer God dus met uw lichaam.

Evangelie: Johannes 1, 35-42                                 Roeping van Petrus en Andreas

35 De volgende dag was Johannes daar weer; twee van zijn leerlingen waren bij hem. 36 Hij richtte zijn blik op Jezus, die daar langskwam, en zei: ‘Daar is het lam van God.’ 37 De twee leerlingen gaven gehoor aan zijn woord en volgden Jezus. 38 Jezus keerde zich om, zag dat ze Hem volgden en sprak hen aan: ‘Zoeken jullie iets?’ Ze zeiden: ‘Rabbi (dat betekent: meester), waar houdt U uw verblijf?’ 39 Hij antwoordde: ‘Kom mee en je zult het zien.’ Ze gingen mee, en zagen waar Hij zijn verblijf hield. En ze verbleven die dag bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur. 40 Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van die twee die naar Johannes hadden geluisterd en Jezus waren gevolgd. 41 De eerste die hij ging opzoeken was zijn broer Simon. ‘We hebben de Messias gevonden!’ zei hij. (Messias betekent: gezalfde.) 42 Daarop bracht hij hem bij Jezus. Jezus richtte zijn blik op hem en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes; voortaan zul je Kefas heten.’ (Dat betekent: rots).

TERUG