Zondag 15 oktober 2017: 28e Zondag door het Jaar A

Introitus: Si iniquitates

Graduale: Si ambulem

Alleluia: Qui timent Dominum

Offertorium: Recordare mei

Communio: Aufer a me

De bijbellezingen van vandaag (Willibrordvertaling) volgen hierna:

1e Lezing: Jesaia 25,6-10a                           Uitnodiging tot de messiaanse maaltijd

6 De HEER van de machten richt op deze berg voor alle volken een feestmaal aan met uitgelezen gerechten, een feestmaal met belegen wijnen, verrukkelijke, uitgelezen gerechten, belegen, gelouterde wijnen. 7 Op deze berg verscheurt Hij de bedekking die over alle volken ligt, de sluier die alle naties bedekt. 8 De Heer GOD vernietigt de dood,

en veegt de tranen van alle gezichten, op heel de aarde wist Hij de smaad van zijn volk uit: de HEER heeft het gezegd! 9 Op die dag zal men zeggen: ‘Dat is onze God.’ Wij hoopten op Hem en Hij heeft ons gered. Dat is de HEER, op wie wij hoopten; laat ons blij zijn en juichen om de redding die Hij heeft gebracht. 10 Want op deze berg rust de hand van de HEER, maar Moab wordt op zijn plaats vertrapt, zoals het stro op de mestvaalt vertrapt wordt. 11 Het spreidt zijn armen uit zoals een zwemmer ze uitspreidt om te zwemmen, maar de HEER vernedert het trotse Moab ondanks zijn listig verweer. 12 Uw sterke, ontoegankelijke muren haalt Hij neer; Hij smakt ze op de grond, in het stof. 

2e Lezing: Brief aan de Filippenzen 4,12-14.19-20 God laat zich niet overtreffen in goedheid

10 Ik was er in de Heer bijzonder verheugd over dat uw belangstelling voor mij nu eindelijk tot bloei is gekomen; het ontbrak u niet aan interesse, maar u had de kans niet. 11 Ik zeg dit niet omdat ik tekort kom, want ik heb geleerd in alle omstandigheden mijzelf genoeg te zijn. 12 Ik weet wat het is om armoede te lijden, ik weet ook wat het is om in overvloed te leven. Ik ben volledig ingewijd. Ik kan volop eten en ik kan honger lijden, ik kan in overvloed leven en ik kan armoede lijden. 13 Ik kan alles aan, dankzij Hem die mij kracht geeft.14 Toch hebt u er goed aan gedaan mij te helpen in mijn moeilijkheden. 15 U weet het zelf ook wel, Filippenzen: in het begin van mijn evangelieprediking, bij mijn vertrek uit Macedonië, heeft geen enkele gemeente met mij een lopende rekening geopend, behalve de uwe. 16 Al in Tessalonica hebt u mij tot tweemaal toe gestuurd wat ik nodig had. 17 Niet dat het mij om uw giften te doen is; het is mij erom te doen dat het tegoed op uw rekening toeneemt. 18 Al wat mij toekwam heb ik al ontvangen, en meer dan dat. Ik heb meer dan genoeg, dankzij Epafroditus, die mij uw gaven heeft overgebracht. Die zijn een welriekende geur, een aangenaam en welgevallig offer voor God. 19 En mijn God zal vanuit zijn rijkdom in al uw noden voorzien door u de heerlijkheid te schenken in Christus Jezus. 20 Aan onze God en Vader zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Amen. 

Evangelie: Matteüs 22,1-4                                   Nodigt allen tot het bruiloftsmaal

22 1 Opnieuw sprak Jezus tot hen in gelijkenissen: 2 ‘Met het koninkrijk der hemelen gaat het als met een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. 3 Hij stuurde zijn slaven om de gasten te roepen die voor de bruiloft genodigd waren, maar ze wilden niet komen. 4 Hij stuurde weer andere slaven met de opdracht: ‘ ‘Zeg tegen de genodigden: Kijk, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en het mestvee zijn geslacht, en alles staat gereed. Kom naar de bruiloft.” 5 Maar ze trokken zich er niets van aan en gingen hun eigen weg, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel. 6 De overigen grepen zijn slaven vast, mishandelden en vermoordden hen. 7 De koning werd woedend. Hij stuurde zijn soldaten, liet die moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken. 8 Toen zei hij tegen zijn slaven: ‘ ‘Het bruiloftsmaal is klaar, maar de genodigden waren het niet waard. 9 Ga nu dus naar de kruispunten van de wegen, en nodig iedereen die je maar tegenkomt uit voor de bruiloft.” 10 Die slaven gingen naar de wegen en brachten iedereen mee die ze tegenkwamen, slechten en goeden; en de bruiloftszaal liep vol met gasten. 11 Maar toen de koning binnenkwam en de gasten zag, merkte hij iemand op die geen bruiloftskleding aan had. 12 Hij zei tegen hem: ‘ ‘Vriend, hoe ben je hier binnengekomen zonder bruiloftskleding?” Hij wist niets te zeggen. 13 Toen zei de koning tegen de dienaren: ‘ ‘Bind hem aan handen en voeten en werp hem in de uiterste duisternis.” Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars. 14 Immers, velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitgekozen.’

TERUG