Zondag 20 augustus 2017: 20e Zondag door het A-Jaar

Introitus: Protector noster

Graduale: Bonum est confidere

Alleluia: Venite, exsultemus

Offertorium: Immittet * Angelus Domini

Communio: Domus mea

 

De bijbellezingen van vandaag volgen hierna:

1e Lezing: Jesaja 56,1.6-7                        De roeping van de heidenen

56 1 Zo spreekt de HEER, ‘Onderhoud het recht, beoefen de gerechtigheid, want de komst van mijn redding is nabij en mijn gerechtigheid wordt weldra geopenbaard.  2 Gelukkig de mens die zo handelt, het mensenkind dat daaraan vasthoudt, die de sabbat onderhoudt, hem niet ontheiligt, en zijn hand ervoor behoedt om enig kwaad te doen.’ 3 De vreemdeling die zich bij de HEER aansluit hoeft niet te zeggen:

‘De HEER houdt mij zeker afgezonderd van zijn volk.’ Ook de castraat mag niet zeggen: ‘Ik ben maar een dorre boom.’ 4 ‘Want’, zo spreekt de HEER, ‘aan de castraten die mijn sabbat onderhouden, en verkiezen wat Mij aangenaam is en vasthouden aan mijn verbond, 5 aan hen geef Ik in mijn huis en binnen mijn muren een gedenksteen en een naam, die zonen en dochters te boven gaan; Ik geef hun een eeuwige naam, een die nooit wordt uitgewist. 6 De vreemdelingen die zich bij de HEER hebben aangesloten, om Hem te dienen en de naam van de HEER te beminnen, om zijn dienstknechten te zijn, evenals al degenen die de sabbat onderhouden, hem niet ontheiligen en vasthouden aan mijn verbond: 7 hen allen laat Ik naar mijn heilige berg komen, en Ik schenk hun vreugde in mijn huis van gebed.  Hun brand- en slachtoffers zijn aangenaam op mijn altaar. Want mijn huis zal heten: Huis van gebed voor alle volken.’ 8 Zo luidt de godsspraak van de Heer GOD, die het verspreide Israël verzamelt: ‘Anderen zal Ik verzamelen en toevoegen aan hen die reeds verzameld zijn.’

2e Lezing: Romeinen 11,13-15.29-32        Paulus, apostel der heidenen

11 De volgende vraag is: hebben zij zich dan zo gestoten, dat zij ten val zijn gekomen? Volstrekt niet, maar als gevolg van hun misstap werden de heidenen gered, om hen jaloers te maken. 12 Als hun misstap de wereld verrijkt heeft en hun falen voor de heidenen rijkdom betekent, wat mogen wij dan niet verwachten, als zij hun tekort zullen aanvullen!

13 Nu richt ik mij tot u die uit het heidendom gekomen bent. Ik ben apostel van de heidenen, en ik schat dit dienstwerk juist hierom zo hoog, 14 omdat ik hoop mijn eigen volk tot afgunst te prikkelen en er althans enkelen van te redden.

29 Want God kent geen berouw over zijn genadegaven of zijn roeping. 30 Zoals u eertijds aan God ongehoorzaam bent geweest, maar nu, dankzij hun ongehoorzaamheid, ontferming hebt gevonden, 31 zo zijn zij op hun beurt nu ongehoorzaam geworden, ten gevolge van de u betoonde ontferming, opdat ook zij nu ontferming zouden vinden. 32 Zo heeft God allen in hun ongehoorzaamheid opgesloten, om allen in te sluiten in zijn ontferming.

Evangelie: Matteus  15,21-28                    Jezus luistert naar het gebed van de heidenen

21 Jezus ging daar weg en nam de wijk naar het gebied van Tyrus en Sidon. 22 En kijk, een Kananese vrouw uit die streek kwam naar buiten en riep: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David. Mijn dochter is vreselijk bezeten.’ 23 Maar Hij gaf haar niet eens antwoord. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: ‘Stuur haar weg, want ze roept ons achterna.’ 24 Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gestuurd naar de verloren schapen van het huis van Israël.’ 25 Maar zij kwam naar Hem toe en knielde voor Hem neer en zei: ‘Heer, help me.’ 26 Hij gaf haar ten antwoord: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven.’ 27 Maar zij zei: ‘Juist, Heer, want wat de hondjes eten, zijn de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.’ 28 Toen gaf Jezus haar ten antwoord: ‘Vrouw, groot is uw vertrouwen. Moge het u vergaan zoals u wenst.’ En haar dochter was vanaf dat moment genezen. 29 Jezus ging daar weg en kwam bij het meer van Galilea, en Hij ging de berg op en nam daar plaats. 30 Er kwamen veel mensen naar Hem toe met kreupelen, blinden, verminkten, stommen, en nog veel anderen bij zich; ze legden die aan zijn voeten neer, en Hij genas hen. 31 Het volk stond verbaasd, toen ze zagen dat stommen spraken, verminkten beter waren, kreupelen liepen en blinden zagen. En ze verheerlijkten de God van Israël.   

TERUG