Zondag 13 augustus 2017: 19e Zondag door het Jaar

Introitus: Respice, Domine

Graduale: Ostende

Alleluia: Domine, refugium

Offertorium: In te speravi

Communio: Panis, quem ego dedero

De bijbellezingen van vandaag volgen hierna:

1e Lezing:   1 Kon. 19, 9a + 11 - 13a              Elia gaat de Heer tegemoet

19 1 Toen Achab aan Izebel meedeelde wat Elia allemaal gedaan had en hoe hij alle profeten met het zwaard had gedood, 2 stuurde Izebel een bode naar Elia met de boodschap: `De goden mogen mij dit aandoen en nog erger als ik u niet binnen vierentwintig uur het lot van de profeten heb laten delen.' 3 Toen hij dat gehoord had, probeerde hij zijn leven in veiligheid te stellen en vertrok naar Berseba, dat tot Juda behoorde. Daar aangekomen liet hij zijn dienaar achter. 4 Na een tocht van een dag in de woestijn kwam hij bij een bremstruik. Hij ging eronder zitten. Hij wilde sterven en zei: `Het wordt mij teveel, HEER; laat mij sterven want ik ben niet beter dan mijn voorvaders.' 5 Daarna ging hij onder de bremstruik liggen en sliep in. Maar opeens stootte een engel hem aan en zei tegen hem: `Sta op en eet.' 6 Hij keek op en daar zag hij aan zijn hoofdeinde een koek, op gloeiende stenen gebakken, en een kruik water. Hij at en dronk en viel weer in slaap. 7 Maar opnieuw, voor de tweede maal, stootte de engel van de HEER hem aan en zei: `Sta op en eet; anders gaat de reis uw krachten te boven.' 8 Toen stond hij op, at en dronk, en gesterkt door dat voedsel liep hij veertig dagen en nachten, tot hij de berg van God, de Horeb bereikte. 

9 Daar ging hij een grot binnen en overnachtte er. Toen kwam het woord van de HEER tot hem: `Waarom bent u hier, Elia?' 10 Hij antwoordde: `Omdat ik mij met al mijn ijver ingezet heb voor de HEER, de God van de machten. De IsraŽlieten hebben uw verbond met voeten getreden, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood; ik alleen ben overgebleven en mij staan ze naar het leven.' 11 Maar de HEER zei: `Ga naar buiten en treed voor de HEER op de berg.' Toen trok de HEER voorbij. Er ging een zeer zware storm voor de HEER uit die bergen deed splijten en rotsen verbrijzelde. Maar de HEER was niet in de storm. Op de storm volgde een aardbeving. Maar ook in de aardbeving was de HEER niet. 12 Op de aardbeving volgde vuur. Maar ook in het vuur was de HEER niet. Op het vuur volgde het suizen van een zachte bries. 13 Zodra Elia dit hoorde, bedekte hij zijn gezicht met zijn mantel, ging naar buiten en bleef staan bij de ingang van de grot. En toen klonk er een stem die hem vroeg: `Waarom bent u hier, Elia?' 14 Hij antwoordde: `Omdat ik mij met al mijn ijver ingezet heb voor de HEER, de God van de machten. De IsraŽlieten hebben uw verbond met voeten getreden, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood; ik alleen ben overgebleven en mij staan ze naar het leven.' 15 Toen zei de HEER tegen hem: `Ga dezelfde weg terug en ga door de woestijn naar Damascus; als u daar gekomen bent, moet u HazaŽl zalven tot koning van Aram. 16 Jehu, de zoon van Nimsi, moet u zalven tot koning van IsraŽl, en Elisa, de zoon van Safat uit Abel-Mechola, moet u zalven tot uw opvolger als profeet. 17 Wie ontkomt aan het zwaard van HazaŽl zal gedood worden door Jehu en wie ontkomt aan het zwaard van Jehu zal gedood worden door Elisa. 18 Maar Ik laat in IsraŽl een rest over: zevenduizend man die hun knie niet gebogen hebben voor Bašl en die hem niet gekust hebben.'

2e Lezing: Rom. 9, 1 - 5                               Pijn om de scheiding tussen onze broeders

9 1 Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, mijn geweten waarborgt het mij in de heilige Geest: 2 in mijn hart is grote droefheid en een pijn die niet ophoudt. 3 Waarlijk, ik zou wensen zelf vervloekt en van Christus gescheiden te zijn, als ik mijn broeders, mijn lijfelijke verwanten, daarmee kon helpen; 4 ik bedoel de IsraŽlieten. Hun behoort het kindschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de eredienst en de beloften; 5 van hen zijn de aartsvaders en uit hen komt Christus lijfelijk voort, Hij die God is, boven alles verheven en geprezen tot in eeuwigheid! Amen.

Evangelie: Mt. 14, 22 - 33                       Petrus gaat Jezus tegemoet

22 Meteen hierna dwong Hij de leerlingen om aan boord te gaan en alvast voor Hem uit over te steken; dan zou Hij intussen de mensen wegsturen. 23 Toen Hij de mensen had weggestuurd, ging Hij de berg op om te bidden, Hij alleen. Toen het avond geworden was, was Hij daar nog alleen. 24 Toen de boot al veel stadiŽn uit de kust was, had die het zwaar te verduren van de golven, omdat de wind tegenzat. 25 Op het einde van de nacht ging Hij lopend over het meer naar hen toe. 26 Toen de leerlingen Hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. `Een spook!', riepen ze, en ze schreeuwden van angst. 27 Meteen zei Jezus: `Rustig maar, Ik ben het. Wees niet bang.' 28 Petrus gaf Hem ten antwoord: `Heer, als U het bent, laat me dan over het water naar U toekomen.' 29 Hij zei: `Kom.' En Petrus stapte overboord, liep over het water en kwam naar Jezus toe. 30 Toen hij lette op de kracht van de wind, werd hij bang, en toen hij begon te zinken, schreeuwde hij: `Heer, red me.' 31 Meteen stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast. Hij zei: `Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?' 32 Toen ze in de boot gestapt waren, ging de wind liggen. 33 De mensen in de boot vielen voor Hem op de knieŽn en zeiden: `Werkelijk, U bent de Zoon van God.' 34 Ze staken over en kwamen aan land in Gennesaret. 35 Toen de mensen uit die plaats Hem herkenden, brachten ze de hele omgeving op de hoogte en bracht men alle zieken bij Hem. 36 Die vroegen of ze Hem mochten aanraken, al was het maar de zoom van zijn kleed. En wie Hem aanraakte, werd gered.

TERUG

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

irigent: Jaap Riewald

Schola Cantorum Groningen IN AMICITIA ET DEVOTIONE

Organist: Drť Meijer

Gezongen worden: de wisselende gezangen (zie de Schola-pagina)

Verder: Missa VII en  Credo III

Prefatie: 5e  van de zondagen door het jaar

Canon: II

De bijbellezingen van vandaag volgen hierna:

1e Lezing: 1 Koningen 19,9a.11-13a    Elia gaat de Heer tegemoet

19 1 Toen Achab aan Izebel meedeelde wat Elia allemaal gedaan had en hoe hij alle profeten met het zwaard had gedood, 2 stuurde Izebel een bode naar Elia met de boodschap: ĎDe goden mogen mij dit aandoen en nog erger als ik u niet binnen vierentwintig uur het lot van de profeten heb laten delen.í 3 Toen hij dat gehoord had, probeerde hij zijn leven in veiligheid te stellen en vertrok naar Berseba, dat tot Juda behoorde. Daar aangekomen liet hij zijn dienaar achter. 4 Na een tocht van een dag in de woestijn kwam hij bij een bremstruik. Hij ging eronder zitten. Hij wilde sterven en zei: ĎHet wordt mij teveel, HEER; laat mij sterven want ik ben niet beter dan mijn voorvaders.í 5 Daarna ging hij onder de bremstruik liggen en sliep in. Maar opeens stootte een engel hem aan en zei tegen hem: ĎSta op en eet.í 6 Hij keek op en daar zag hij aan zijn hoofdeinde een koek, op gloeiende stenen gebakken, en een kruik water. Hij at en dronk en viel weer in slaap. 7 Maar opnieuw, voor de tweede maal, stootte de engel van de HEER hem aan en zei: ĎSta op en eet; anders gaat de reis uw krachten te boven.í 8 Toen stond hij op, at en dronk, en gesterkt door dat voedsel liep hij veertig dagen en nachten, tot hij de berg van God, de Horeb bereikte.

9 Daar ging hij een grot binnen en overnachtte er. Toen kwam het woord van de HEER tot hem: ĎWaarom bent u hier, Elia?í 10 Hij antwoordde: ĎOmdat ik mij met al mijn ijver ingezet heb voor de HEER, de God van de machten. De IsraŽlieten hebben uw verbond met voeten getreden, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood; ik alleen ben overgebleven en mij staan ze naar het leven.í 11 Maar de HEER zei: ĎGa naar buiten en treed voor de HEER op de berg.í Toen trok de HEER voorbij. Er ging een zeer zware storm voor de HEER uit die bergen deed splijten en rotsen verbrijzelde. Maar de HEER was niet in de storm. Op de storm volgde een aardbeving. Maar ook in de aardbeving was de HEER niet. 12 Op de aardbeving volgde vuur. Maar ook in het vuur was de HEER niet. Op het vuur volgde het suizen van een zachte bries. 13 Zodra Elia dit hoorde, bedekte hij zijn gezicht met zijn mantel, ging naar buiten en bleef staan bij de ingang van de grot. En toen klonk er een stem die hem vroeg: ĎWaarom bent u hier, Elia?í 14 Hij antwoordde: ĎOmdat ik mij met al mijn ijver ingezet heb voor de HEER, de God van de machten. De IsraŽlieten hebben uw verbond met voeten getreden, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood; ik alleen ben overgebleven en mij staan ze naar het leven.í 15 Toen zei de HEER tegen hem: ĎGa dezelfde weg terug en ga door de woestijn naar Damascus; als u daar gekomen bent, moet u HazaŽl zalven tot koning van Aram. 16 Jehu, de zoon van Nimsi, moet u zalven tot koning van IsraŽl, en Elisa, de zoon van Safat uit Abel-Mechola, moet u zalven tot uw opvolger als profeet. 17 Wie ontkomt aan het zwaard van HazaŽl zal gedood worden door Jehu en wie ontkomt aan het zwaard van Jehu zal gedood worden door Elisa. 18 Maar Ik laat in IsraŽl een rest over: zevenduizend man die hun knie niet gebogen hebben voor Bašl en die hem niet gekust hebben.í

2e Lezing: Romeinen 9,1-5                  Pijn om de scheiding tussen onze broeders

9 1 Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, mijn geweten waarborgt het mij in de heilige Geest: 2 in mijn hart is grote droefheid en een pijn die niet ophoudt. 3 Waarlijk, ik zou wensen zelf vervloekt en van Christus gescheiden te zijn, als ik mijn broeders, mijn lijfelijke verwanten, daarmee kon helpen; 4 ik bedoel de IsraŽlieten. Hun behoort het kindschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de eredienst en de beloften; 5 van hen zijn de aartsvaders en uit hen komt Christus lijfelijk voort, Hij die God is, boven alles verheven en geprezen tot in eeuwigheid! Amen.

Evangelie: Matteus  14,22-33            Petrus gaat Jezus tegemoet

22 Meteen hierna dwong Hij de leerlingen om aan boord te gaan en alvast voor Hem uit over te steken; dan zou Hij intussen de mensen wegsturen. 23 Toen Hij de mensen had weggestuurd, ging Hij de berg op om te bidden, Hij alleen. Toen het avond geworden was, was Hij daar nog alleen. 24 Toen de boot al veel stadiŽn uit de kust was, had die het zwaar te verduren van de golven, omdat de wind tegenzat. 25 Op het einde van de nacht ging Hij lopend over het meer naar hen toe. 26 Toen de leerlingen Hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. ĎEen spook!í, riepen ze, en ze schreeuwden van angst. 27 Meteen zei Jezus: ĎRustig maar, Ik ben het. Wees niet bang.í 28 Petrus gaf Hem ten antwoord: ĎHeer, als U het bent, laat me dan over het water naar U toekomen.í 29 Hij zei: ĎKom.í En Petrus stapte overboord, liep over het water en kwam naar Jezus toe. 30 Toen hij lette op de kracht van de wind, werd hij bang, en toen hij begon te zinken, schreeuwde hij: ĎHeer, red me.í 31 Meteen stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast. Hij zei: ĎKleingelovige, waarom heb je getwijfeld?í 32 Toen ze in de boot gestapt waren, ging de wind liggen. 33 De mensen in de boot vielen voor Hem op de knieŽn en zeiden: ĎWerkelijk, U bent de Zoon van God.í 34 Ze staken over en kwamen aan land in Gennesaret. 35 Toen de mensen uit die plaats Hem herkenden, brachten ze de hele omgeving op de hoogte en bracht men alle zieken bij Hem. 36 Die vroegen of ze Hem mochten aanraken, al was het maar de zoom van zijn kleed. En wie Hem aanraakte, werd gered.

   

TERUG